Onpartijdig politieoptreden

Door Benjamin van Gelderen, Marlieke Verhoeff, Heleen van Mierlo, 04 augustus 2017 10:33 uur0 Waardering:

Onpartijdig politieoptreden Van politiemedewerkers mag verwacht worden dat zij een onafhankelijke rol spelen bij conflictsituaties tussen burgers. Toch wordt politieoptreden niet altijd als even neutraal en a-selectief ervaren. Hoe gevoelig dit ligt, kwam recentelijk ook weer naar voren tijdens de discussie over de hoofddoek bij de politie.


Om meer inzicht te krijgen in het proces van onpartijdig politieoptreden, is er onderzoek gedaan naar de determinanten van dit optreden (Verhoeff, 2016). Voor het onderzoek zijn er 44 politiemedewerkers geïnterviewd en zijn er in totaal 660 daarin besproken conflictsituaties bestudeerd.

Het belang van onpartijdigheid
Politieoptreden tussen conflictpartijen heeft veel gemeen met een zogenaamde derde partij-interventie. Dergelijke interventies lijken het meest effectief te zijn als ze onpartijdig, geloofwaardig en betrouwbaar overkomen. De onpartijdigheid is de basis voor vertrouwen, dat helpt om als partij aanvaard te kunnen worden en op die manier tot een succesvolle interventie te komen.

Kenmerkend voor de politie is dat ze een machtspositie heeft en deze dient te gebruiken om hulp te verlenen en de rechtsorde te handhaven. Bij het toepassen van deze machtspositie is het van groot belang dat de politie geen onnodige voorkeur heeft voor winst of verlies van een conflictpartij en geen macht gebruikt om persoonlijke voorkeuren te behartigen. De discretionaire ruimte die politieagenten hebben in hun optreden kan echter vervlochten zijn met het toegeven aan persoonlijke opvattingen. Om een onafhankelijke rol te kunnen blijven vervullen is het van belang om inzicht te krijgen in de determinanten die van invloed kunnen zijn op (on)partijdig politieoptreden.

Determinanten van (on)partijdig optreden
Onderzoek (zie voetnoot) wijst uit dat er een aantal factoren de (on)partijdigheid vooral beïnvloeden:
 

  • 1. De informatiepositie vooraf
    Deze informatie, bijvoorbeeld via de meldkamer, heeft in sommige gevallen vooringenomenheid en stereotypering bij de politieagent opgewekt. Een voorbeeld is een directe aanhouding van een klant bij een ruzie met een horecaportier. Achteraf bleek de klant juist door de portier te zijn mishandeld.

  • 2. Cognitieve verwachtingen, de emotionele toestand en lichamelijke regulatiestrategieën
    Politieagenten die zeiden hun eigen emoties te beheersen, vonden dat ze effectiever waren in het oplossen van conflicten. Andersom werden agenten onderdeel van een ruzie als ze emotioneel werden. Ook kozen politieagenten eerder partij voor de rustigste persoon in de conflictsituatie. Een politieagent gaf verder aan dat het eigen adrenalineniveau van invloed was op de mate waarin geweld werd toegepast.
     
  • 3. Randvoorwaarden
    Wat functioneel bleek, was het scheiden van de partijen en het ruimte geven aan de uiting van emoties. De effectiviteit werd verhoogd door beide partijen apart het verhaal te laten vertellen en dit ook te toetsen bij onafhankelijke getuigen. Soms willen bekenden van de conflictpartijen van alles vertellen, maar een politieagent besloot op enig moment om juist een oude mevrouw te benaderen die achter een raam stond te kijken. Overleg tussen politieagenten vermindert vervolgens de kans op bevooroordeeld gedrag.
     
  • 4. Manipulatief gedrag van de conflictpartij
    Politieagenten gaven aan dat het gedrag van de conflictpartij, die soms alles uit de kast haalt om de politieagent voor zich te winnen, van invloed is op het gedrag van de politieagent. Het blijkt soms lastig om dit manipulatieve gedrag te herkennen, het vraagt fingerspitzengefühl. Soms gaat het mis en blijkt achteraf dat je ‘voor het karretje bent gespannen’.

  • 5. De eerste beeldvorming en identificatie met een van de conflictpartijen
    Politieagenten gaven aan vooral af te gaan op de feiten, maar ondanks dat ze snel moesten oordelen, beseften ze dat het ook belangrijk was om te weten wat er aan een conflict vooraf is gegaan. Identificatie met een conflictpartij kan al snel leiden tot bevooroordeeld optreden. Dat geldt ook voor het afgaan op het eerste verhaal (bv. wie als eerste aangifte doet)
     
  • 6 Communicatietechnieken
    Het stellen van open vragen, procescommunicatie en het duidelijk maken van verwachtingen over wat de politie kan betekenen.

  • 7 De afweging om strafrechtelijk op te treden
    Soms wordt er repressief of strafrechtelijk opgetreden tegen een van de conflictpartijen. Dit is formeel correct als het met feiten is onderbouwd, waarbij wel het besef van belang is of dit ingrijpen voor beide partijen rechtvaardig is, en of langslepende conflicten niet in overleg met het Openbaar Ministerie een evenwichtige totaalbenadering vereisen.

 

Praktische implicaties Het is goed om te beseffen dat conflicthantering volgens diverse fasen verloopt: de voorbereidings- aanpassings-, interactie- en afrondingsfase). In al deze fasen kan de interventie goed of minder goed gaan. Het is van belang dat vooraf de juiste informatie wordt verstrekt en dat erop wordt gelet met de wijze van verstrekking geen onjuiste beeldvorming in de hand te werken. Verder is het belangrijk dat politieagenten aandacht besteden aan lichamelijke en emotionele regulatie. In de opleiding en training dient, naast de aandacht voor conflicthanterings- en communicatietechnieken, ook stil te worden gestaan bij de psychologische mechanismen achter oordeelsvorming, profilering en stereotypering. Tevens is het van belang om in de conflictsituatie oplossingsgericht te denken ten aanzien van het proces en het strafrechtelijke onderdeel. Met betrekking tot civiele kwesties dienen politieagenten de grenzen van hun mening en verantwoordelijkheid te bewaken.

 

 

Verhoeff, M. (2016). Determinanten van onpartijdig politieoptreden: een kritische incidentenanalyse. (Master scriptie). Erasmus Universiteit Rotterdam.

 

Voetnoten