Forensisch gezicht vergelijkend onderzoek is objectief en deskundig, toch?(!)

Door Jennifer van den Broek, 03 april 2017 16:35 uur1 Waardering:

Forensisch gezicht vergelijkend onderzoek is objectief en deskundig, toch?(!) Logisch correct redeneren is binnen de forensische wereld van groot belang. Zo zal een rechter geregeld onder andere op basis van technische bevindingen de juiste conclusies moeten trekken. Maar kan dat ook?

Uit recent onderzoek naar gezichtvergelijkend onderzoek is gebleken dat acht gezichtsdeskundigen, vrijwel allemaal op de verkeerde manier hun conclusies formuleren. Dit kan vervolgens leiden tot onjuiste interpretatie door rechters.

Bayesiaanse bewijsvoering: logisch correct redeneren
Er bestaan twee soorten redeneringen: de deductieve en de inductieve redenering. Laten we ten eerste deductie definiëren. Deductie houdt in dat een hypothese (iemand is de dader) wordt uitgesloten, bijvoorbeeld omdat de verdachte een waterdicht alibi heeft. Hypothese 1 is veelal de hypothese van de aanklager en Hypothese 2 de (alternatieve) hypothese van de verdediging (Berger, 2010; Evett, 1998; Robertson & Vignaux, 1995). Hypothese 1 luidt dan bij gezichtvergelijkend onderzoek: ‘Het betwiste materiaal en het referentiemateriaal betreffen één en dezelfde persoon’. De alternatieve hypothese zou dan over het algemeen luiden: ‘Het betwiste beeldmateriaal betreft een willekeurige ander dan de verdachte’. Op de alternatieve hypothese valt echter wat aan te merken, namelijk dat ‘een willekeurige ander dan de verdachte’ wel erg ruim is. Bij een goede beeldkwaliteit is het duidelijk dat iemand uitgesloten kan worden; een slechte kwaliteit levert daarentegen snel belastend bewijs op. Beter zou het zijn om de alternatieve hypothese specifieker te formuleren, bijvoorbeeld: ‘Het betwiste beeldmateriaal betreft een ander van hetzelfde geslacht en dezelfde etniciteit’.


Inductieve redenatie
Naast deductie bestaat er ook een inductieve redenering. Dit houdt in dat bepaalde waarnemingen meer steun aan een hypothese geven dan aan de alternatieve hypothese(n), maar dat deze hypothese nooit met zekerheid bewezen kan worden. Deze inductieve redenering redeneert terug van gevolg naar oorzaak, waarbij het principe van Bayes wordt gehanteerd. De bijbehorende formule is: Posterior odds = Prior odds x Bewijskracht. De posterior odds is de mate waarin men overtuigd is van de waarheid van de hypothesen nadat men de bewijsmiddelen heeft bestudeerd. De prior odds is de mate van overtuiging voorafgaand aan de bestudering van dit bewijs (oftewel al het andere bewijs). Zonder kennis van de prior odds valt dus niets te zeggen over de posterior odds. De bewijskracht van de informatie is de update factor waarmee de odds vermenigvuldigd moeten worden. De bewijskracht (likelihood ratio) is relatief; het geeft slechts de toename of afname van de mate van overtuiging. De bewijskracht van een waarneming is dus de verhouding tussen de kans op de waarneming als hypothese 1 waar is ten opzichte van de kans op de waarneming als hypothese 2 waar is.


In de praktijk

Uit het onderhavige onderzoek blijkt dat het concluderen door de onderzochte gezichtvergelijkend deskundigen alles behalve consistent is. Men doet doorgaans uitspraken over de waarschijnlijkheid van de hypothese(n), in plaats van de waarschijnlijkheid van de waarneming onder de hypothesen. Dit is een essentieel verschil. De gezichtsdeskundige kan géén uitspraak doen over de kans dat het de

verdachte is op het betwiste materiaal, zonder aannamen te doen over deze kans, nog voordat de foto’s onderzocht zijn. De deskundige belandt hiermee op de stoel van de rechter. De deskundige kan enkel een uitspraak doen over de bewijskracht, de rechter over de ‘posterior odds’. Wanneer de zaak bij de rechter komt, is het van cruciaal belang dat bewijs daadwerkelijk dient als bewijs en niet meteen teniet gedaan kan worden door advocaten. Velen laten bovendien de tweede hypothese geheel weg uit de conclusie.

Ter illustratie: een van de deskundigen formuleert de conclusie als volgt: ‘Uit dit foto-fotovergelijkend gezichtsonderzoek mag worden aangenomen dat, voor zover de kwaliteit van de videostills dit toeliet, mede op grond van het gelaatsprofiel, zoals de vorm en grootte van de neus, de vorm van de mond en de vorm van de oren, dat de persoon op de videostills van het beeldmateriaal en de fotografische afbeeldingen van de verdachte, waarschijnlijk één en dezelfde persoon betreft’. Deze deskundige formuleert de conclusie te abstract: ‘mag worden aangenomen dat’ is een vage slag om de arm. Bovendien doet de deskundige een uitspraak over de hypothese: ‘waarschijnlijk één en dezelfde persoon betrof’. Tot slot laat deze deskundige de tweede hypothese geheel achterwege. Een correcte conclusie is: ‘De bevindingen van het (fotovergelijkend)onderzoek, met name wat betreft de vorm en grootte van de neus, de vorm van de mond en de vorm van de oren in de afbeeldingen, zijn waarschijnlijker als de persoon afgebeeld in de betwiste beelden wel [verdachte] is dan wanneer dit een andere persoon met hetzelfde geslacht en dezelfde etniciteit betreft’. De conclusiereeks waaruit gekozen kan worden loopt van: ‘ongeveer even waarschijnlijk ’ tot ‘extreem veel waarschijnlijker’.

Deskundig optreden en accuratesse zijn belangrijke kwesties in bijna alle gespecialiseerde forensische domeinen. Het gaat dan niet alleen om kennis maar ook om vaardigheden en ervaring om informatie correct te evalueren en interpreteren. Zeker bij gezichtvergelijkend onderzoek – dat erg subjectief van aard is - is dit bijzonder relevant. Wat betreft de objectiviteit en deskundigheid van de gezichtsdeskundigen valt er zeer waarschijnlijk nog veel te verbeteren.

 

Gebruikte literatuur:

Broek, van den J. R. A. (2015). Een vergelijkend onderzoek tussen methoden voor gezichtsvergelijking binnen de publieke sector: Methode van de IND, het NFI, de KMar, de politie en de DLOS (Masterscriptie). Criminologie, Universiteit Leiden, Leiden.

Evett, I. W. (1998). Towards a uniform framework for reporting opinions in forensic Science casework. Science & Justice, 38(3), 198-202.

Keijser, de J. W., Elffers, H., Kok, R. M., & Sjerps, M. J. (2009). Bijkans begrepen? Feitelijk en vermeend begrip van forensische deskundigen-rapportages onder rechters, advocaten en deskundigen. Den Haag: Boom Juridische Uitgevers.

Laplace, P. S. (1812). Leçons de mathématiques données à l’École normale en 1795. Oeuvres complètes de Lapalace. Tome XIV, 10-177.

Robertson, B., & Vignaux, G. A. (1995). Interpreting evidence: Evaluating forensic Science in the courtroom. New York: J. Wiley.

Voetnoten

1 reacties

Verhelderend!
Ik heb een klacht over deze reactieMca Verzijlbergh op 16 april 2017 15:58 uur

Reageer op dit artikel